Menso Rappoldt: 'Ik snap dat mensen twijfelen aan het grote waarom'

Emmen - ‘Toen ik mijn oorbel liet zetten, was ik een beetje nerveus. De juwelier had namelijk een enorme alcoholkegel en trilde met z’n handen.’

Het zijn niet gelijk de teksten die je van een predikant verwacht, maar Menso Rappoldt van de Grote Kerk in Emmen is dan ook net iets anders dan z’n collega’s. Een gesprek over hoop, het christelijke geloof en familie.

Om Menso Rappoldt als een rock-’n-roll-predikant te omschrijven, gaat te ver. Maar eerlijk is eerlijk: we hebben hier wel met een voorganger te maken die een oorbel in heeft en als barkeeper heeft gewerkt om z’n theologiestudie te bekostigen. ‘Volgens mij heb ik eerder ook nog wel eens een jointje gerookt. Maar dat bleef bij eentje. Ik vond er niet veel aan.’

Niet in Nederland

Het interview vindt plaats in de bovengelegen vergaderruimte van de Grote Kerk, want beneden wordt de jaarlijkse haringparty gehouden. Of de predikant het vervelend vindt dat zoiets in ‘zijn’ kerk gebeurt? ‘Nee hoor, want hoe je het ook wendt of keert: er moet ook geld binnenkomen. En dit kerkgebouw speelt een grotere rol in de Emmense samenleving dan alleen voor de dienst op zondag. En de ruimte is altijd weer netjes bij diensten.’

Het Nederlands van Rappoldt is keurig, met een vleugje Randstadklank. Toch is hij niet in dit land geboren. ‘Ik ben in Biak, voormalig Nieuw-Guinea geboren. Mijn vader was bouwkundige en hij werkte voor een architectenbureau. Nieuw-Guinea was toen nog Nederlands gebied en hij moest daar naartoe voor een bouwproject. In 1957 reisden mijn ouders daarom naar de andere kant van de wereld.’ Later reisde het gezin naar Ghana. Ook daar werd het onrustig. Toen Rappoldt zeven werd, keerde het gezin definitief terug naar Nederland.

Afstandelijk

De band met zijn moeder ervoer Rappoldt als stroef. ‘Het was afstandelijk. We hebben nooit een echt warme band opgebouwd met elkaar. Mijn vader was vanwege zijn werk weinig thuis en dus zag ik hem niet veel. We waren niet een gezin dat veel met elkaar optrok of dingen besprak.’

De omgang met zijn moeder bezorgde Rappoldt later in zijn leven wat problemen. ‘Ik heb met een therapeut over die periode gesproken. Die sessies hielpen om de banden met mijn ouders te versterken. Mijn moeder werd op haar 72e geopereerd, maar dat ging niet goed. Ze heeft daarna twee weken op de intensive care gelegen voordat ze overleed. Die weken gaven ons de mogelijkheid om dingen met elkaar te bespreken die eerder niet waren gelukt.’

Geloof

Rappoldt is net 18 als hij het huis uit gaat. De keuze om theologie te studeren, heeft Rappoldt zelf gemaakt. ‘Ik kom uit een gelovig gezin en toen ik net 18 was ging ik het huis uit en wilde heel graag theologie studeren. De opleiding duurt normaal gesproken zes jaar, ik heb er echter elf over gedaan. Dat kwam omdat ik meer vrijwilligerswerk deed dan studeren. Zo begeleidde ik gevangenen en deed ik opbouwwerk.’ 

Hij heeft met z’n vriendin een dochter (26) en een zoon (28). ‘We hebben ze uiteraard wel kennis laten maken met het geloof en de bijbel, maar we hebben ze niks opgelegd. God stond niet centraal bij de opvoeding van onze kinderen.’

Het gebrek aan een communicatief ouderlijk nest heeft Rappoldt later als vader beïnvloed. ‘Dat gemis... dat heeft me getekend. En dus wilde ik het anders aanpakken dan mijn ouders, maar dat is me helaas niet altijd gelukt. Ik wilde voorkomen dat mijn kinderen dezelfde dingen mee zouden maken als ik toentertijd. Maar ik denk dat ik daarin doorschoot en teveel heb gepusht in het corrigeren, in plaats van hun eigen weg te laten begaan. We zien elkaar tegenwoordig niet heel veel, maar de band met mijn kinderen is nu op zich wel goed.’

Tevreden

De zondagsdiensten van Rappoldt zijn niet streng van karakter, vindt hij zelf. ‘Lachen tijdens de dienst mag. Sterker nog, ik vind dat het moet. Ik denk ook dat God humor heeft, veel meer dan wij.’ En hoewel de predikant gek is op lachen, denkt hij op gezette tijden ook veel na over de problemen des levens. ‘Onze samenleving verandert. Je ziet dat individualisme als een groot goed wordt geacht. Maar ik vind dat dat niet werkt. De rol die geld speelt, vind ik ook niet wenselijk.’

Zegen

Rappoldt is 58 jaar en is tevreden over zijn leven. ‘Maar ik vind het belangrijk me te blijven ontwikkelen; ik wil mijn tijd niet gaan uitzitten. Daarom volg ik cursussen en lees ik bijvoorbeeld veel. Zo ben ik groot liefhebber van de Franse schrijver Antoine de Saint-Exupéry, die onder andere De Kleine Prins heeft geschreven. Hij schreef beschouwende verhalen die me aan het denken zetten. Ouder worden vind ik geen probleem, want ik zou niet altijd jong willen blijven. Onsterfelijk zijn? Nee, daar pas ik vriendelijk voor. De dood is een zegen, zolang hij niet te vroeg komt. Door de dood maak je iets van je leven.’

Grote Werkgever

Aan zijn Grote Werkgever twijfelt de predikant niet; aan zichzelf weleens. ‘God is voor mij de waarheid, liefde en schoonheid. Ik twijfel weleens aan mezelf: ben ik niet teveel afgeleid door andere dingen, zie ik Gods schoonheid nog wel? Loop ik niet teveel met de meute mee? Maar ik heb geen antwoord op de waanzin van oorlogen, terroristische aanslagen of andere verschrikkelijke dingen die mensen elkaar aandoen. Ik snap wel dat mensen op zulke momenten twijfelen aan het grote waarom.’