Wethouder gaat voorlopig niet in gesprek met oud-medewerkers CQ

Emmen – Wethouder Jisse Otter (Wakker Emmen) is niet van plan om op korte termijn in gesprek te gaan met oud-medewerkers van CQ.

Vooralsnog wacht hij het onderzoek af van de curator wat betreft de afwikkeling van het in 2014 failliet verklaarde kunstcentrum.

Een uit voormalig personeel bestaande groep, samen met de Kunstenbond FNV en de Nederlandse toonkunstenaarsbond, zond deze maand een brief naar de raadsleden van de gemeenten Emmen en Coevorden, waarin zij een ‘een fatsoenlijke compensatie’ vragen voor de gedupeerde oud-werknemers. Volgens een woordvoerder van de belangengroep is er de afgelopen maanden getracht om met de gemeentes om tafel te gaan en de kwestie te bespreken. Coevorden en Emmen hielden tot nu toe de boot af. ‘Het zwijgen dwingt ons bijna om ons heil te zoeken in een gang naar de rechter’, aldus de woordvoerder.

Verliezers

D66 riep Otter tijdens de raadsvergadering van afgelopen donderdag op om alsnog in gesprek te gaan met de groep. Vandaag ontving raadslid Karel Eggen een brief met eerder aangehaalde reactie van Otter. Dat vindt Eggen jammer. ‘Ik vraag me af of de gemeente Emmen in deze kwestie wel sterk genoeg staat. Ik ben geen jurist, maar als ik af ga op de brief van de oud-medewerkers en het verhaal van de curator, dan heb ik daar sterke twijfels over.’ Op een juridische procedure zit niemand op te wachten, aldus Eggen. ‘Een techtszaak leidt volgens ons alleen maar tot verliezers.’ Vooralsnog wacht hij de afhandeling van de curator af. ‘We houden een vinger aan de pols.’

Onrechtmatig

Bij CQ waren tot het voortijdige einde in 2014 77 mensen in dienst. De rechter verklaarde in dat jaar het kunstencentrum failliet op verzoek van toenmalige bewindvoerder en huidige curator Jeroen Sprangers. Volgens de briefschrijvers hebben de gemeenten ‘het faillissement gebruikt voor eigen financieel voordeel. Dat is Paulianeus of onrechtmatig handelen.Er is een fuik geconstrueerd door de gemeenten Emmen en Coevorden, waar CQ het slachtoffer van is geworden.’

Destijds kregen de medewerkers een nieuwe cao ‘opgedrongen onder chantage/ dreiging van faillissement. Met de oude cao had de gemeente, ook na faillissement, immers de verantwoordelijkheid voor begeleiding van werk naar werk, betaling van zogeheten bovenwettelijke WW en nawettelijke WW.’ Vervolgens eiste de gemeente in zeer korte tijd haar schuld op in de wetenschap dat CQ deze niet kon betalen’, vervolgt de brief. Want de stichting was grotendeels afhankelijk van subsidies. Het kunstencentrum diende te functioneren als een winstgevend bedrijf, maar zonder startkapitaal was dit een ‘onmogelijke opgave.’ Een faillissement was daardoor onvermijdelijk, concludeert de groep.

Hypotheek

Emmen stelde toen voor de schuld om te zetten in een hypotheek op het CQ-gebouw en daar een lening van 25 jaar tegen over te plaatsen. Op die manier kon een het einde worden afgewend. Wel betekende de nieuwe cao dat de gemeente geen eindverantwoordelijkheid meer zou hoeven dragen voor de medewerkers. ‘Vervolgens liet men de boel knallen door de frictie kosten terug te trekken.’

Ontbreken raadsbesluit

De oud-medewerkers zien niets in een ellenlange strijd in de rechtbank, omdat dit leidt ‘tot tijdrovende en met dure procedures waar veel belastinggeld mee gemoeid gaat.’ Toch heeft curator Sprangers geadviseerd om samen met beide bonden een gerechtelijke procedure tegen de gemeenten aan te spannen, indien deze hun verantwoordelijkheden niet zouden nemen en ingediende claims zouden afwijzen.

In de brief wordt aansluitend ook de juridische visie van de Sprangers nog eens aangehaald. Die spreekt over het ontbreken van een raadsbesluit van Emmen en Coevorden over de wijziging van de Statuten. Die is voorafgaand en vereist voor het wijzigen van de cao. Deze zou de nieuwe arbeidsvoorwaarden ongeldig of onwettig maken.’ Beide gemeenten vinden, volgens de brieven, dat ze niets verkeerds hebben gedaan.