Meneer Meertens vertelt | In de oude sok

Niet alleen zijn archief blijkt indrukwekkend. Van hetzelfde kaliber zijn de dikke mappen vol historische foto’s, die een breed beeld geven van pakweg de afgelopen 80 jaar.

,,Bij ons thuis hadden vroeger alle kinderen een spaarpot. In tegenstelling tot tegenwoordig was sparen in de vijftiger jaren van de vorige eeuw vanzelfsprekend. Na de oorlog stimuleerde de overheid zowel actief als effectief het opzij leggen van geld, waarbij de spaarbanken een belangrijke rol speelden. Komt bij, dat de rente destijds behoorlijk de moeite waard was. Hoe anders is de huidige situatie.

Het roze varken

In vele gezinnen hoorde sparen er gewoon bij. Met overtuiging mikten we een muntje door de gleuf en af en toe propten we er zelfs een biljet in. Die spaarpot was er in velerlei soorten en maten, met als ultieme bewaarplaats natuurlijk het spek-object bij uitstek: het roze varken. De stenen variant liep wel het risico, na toestemming van de ouders, ooit aan diggelen te worden geslagen. Als de metalen of blikken spaarpot vol was, ging je met één van je ouders naar het postkantoor om het bijeen gespaarde bedrag op je eigen spaarbankboekje bij te laten schrijven. Kreeg je gelijktijdig ook nog de opgebouwde rente bijgeschreven. Als het goed was, werd pas ter plekke van het bijpassende sleuteltje gebruik gemaakt. Voor alle zekerheid bewaarde de Nutsspaarbank dat sleuteltje op de bank zèlf. Uit de slogan die laatstgenoemde bank destijds hanteerde, kun je opmaken dat men bij het sparen wel met beide benen op de grond stond: ‘t groeit wel, maar niet op m’n rug’.

Appeltje voor de dorst

Er waren ook allerlei leuke, alternatieve grapjes om het sparen extra leuk te maken, zoals dat klokje van mijn moeder. Om het uurwerk op gang te brengen en een volledig etmaal te laten lopen, moest aan de achterzijde een stuiver in een gleuf worden gedeponeerd. Om voldoende ‘brandstof’ te hebben, spaarde moeder deze muntjes weer ijverig in een ander potje. Mijn opa en oma maakten trouwens met overtuiging gebruik van een oude sok, gewoon als appeltje voor de dorst. Zie die sok nog hangen aan een veiligheidsspeld in de kast. Ook een oom wilde liever niets te maken hebben met een bank en vertrouwde de opbrengsten van zijn darmenhandel liever toe aan zo’n vertrouwde oude sok.

Ook lagere scholen speelden in de vijftiger jaren in op de spaarzin. Dat ging in de vorm van spaarzegels. Er waren zegels van 25 en 10 cent. Voor een gulden van thuis kreeg je dus bijvoorbeeld vier zegels van een kwartje, die je vervolgens bijplakte op de spaarkaart. Kaart vol? Op naar het postkantoor om je eigen kapitaaltje weer met een tientje op te krikken.”