Column Eric van Oosterhout | De kerk van Ulrum

In iets jongere jaren mocht ik naast voetballen ook graag lang hardlopen. Zo liep ik op een bloedhete zomerdag de (halve) Lauwersmeermarathon. We werden vanuit Ulrum in snikhete bussen naar de startplek in Lauwersoog gebracht. Na de start liepen we het Lauwersmeergebied in.

Daar was zeker in die tijd amper wat schaduw te ontdekken. Na een kilometer of 15 in een (toen nog) behoorlijk tempo was ik meer dood dan levend. In de verte zag ik de kerk van Ulrum. Eindelijk passeerde ik het bordje Ulrum. Ik ben er zo, dacht ik, zonder op mijn horloge te kijken. Er volgde echter nog een rondje van 3 kilometer door het dorp. Er zaten mensen langs de route te barbecueën. Doodop ging ik door een walmende lucht van bier - ’most ook aine? - en licht aangebrand vlees.

Om met dominee Gremdaat te spreken: daar moest ik aan denken toen ik voor RTV Drenthe de laatste fase van de coronacrisis moest duiden. Als de laatste zware kilometers van een marathon. Die liep ik een paar keer. Het stuk tussen de 35 en 40 kilometer is het zwaarst. Daar zitten we nu zo’n beetje met corona. We zien het finishdoek, we horen de speaker. Maar we zijn moe, doodmoe. Het helpt niet om dat te zeggen. En stoppen met lopen helpt al helemaal niet.

We gaan dus moedig verder, om te beginnen in Utrecht bij het Veiligheidsberaad. We hebben met zo’n 25 burgemeesters een gesprek met de minister over het vervolg van de coronacrisis. Voorafgaand vindt er eerst een stevig onderling gesprek plaats; de burgemeesters van de vier grote steden hebben in het weekend een pleidooi gehouden voor het opengooien van de terrassen. Daar zijn de meningen minimaal over verdeeld. We gunnen alle horecaondernemers een goede boterham. Maar het lukraak opheffen van alle beperkingen brengt ook risico’s met zich mee. Daarin worden we even later bevestigd door Jaap van Dissel van het RIVM. ,,We zijn er bijna.”

Twee dagen later praat ik met de Drentse burgemeesters . Daar is de sfeer aanmerkelijk beter. Het helpt dat de meeste al zo’n jaar of tien met elkaar samenwerken. We proberen goede afspraken te maken hoe we de corona-aanpak in de eigen gemeente uitvoeren. De directeur van de GGD geeft de stand van zaken weer: ,,We zijn er bijna.”

Hij herhaalt dat een dag later in een gesprek met de raad van de gemeente Emmen. In een mooie vergadering hebben we het over de ‘prikpuzzel’ en het blijvend belang van testen.

Natuurlijk gaat lang niet alles goed. Dat ziet iedereen. Zo loop ik zelf al een week te mopperen over het testbeleid voor evenementen. Het lijkt erop dat 1.200 FC Emmen-supporters twee dagen voor de wedstrijd naar Assen moeten om zich te laten testen. Terwijl we vijf testlocaties in Emmen in de aanbieding hebben… En natuurlijk maken we ons grote zorgen over de economische gevolgen voor veel ondernemers.

Maar het helpt ons nog even aan de belangrijkste regels te houden. We zijn er immers bijna.