Meneer Meertens vertelt | Moestuinen

Niet alleen zijn archief blijkt indrukwekkend. Van hetzelfde kaliber zijn de dikke mappen vol historische foto’s, die een breed beeld geven van pakweg de afgelopen 80 jaar.

Die kennis van de plaatselijke historie bestaat niet alleen op papier. Ook het geheugen van de 74-jarige Emmenaar is een rijke bron vol verhalen en anekdotes. Kortom, Geert Meertens ten voeten uit!

,,Vroeger was de moestuin voor vele gezinnen belangrijk in de eigen voedselvoorziening. Met name ook tijdens de winterperiode. Ooit was mijn opa Meertens eigenaar van een grote lap grond aan de Vreding. Die bewuste locatie van 100 bij 50 meter - waar destijds nog geen woningen stonden - was in gebruik als moestuin. Opa verbouwde er allerlei soorten bonen, kolen, bietjes, wortels, prei en andere groenten. Verder mais, waarmee hij de kippen voerde, granen als tarwe en rogge en tevens een ruime wintervoorraad aardappelen. De hoeveelheid moestuinproducten was dermate groot dat ook de kinderen volop van de oogst mee profiteerden.

Ook herinner ik me nog goed dat achterin de tuin veel appelbomen stonden. Voor een groot deel werden de vruchten verwerkt tot appelmoes, terwijl gave appels met zorg binnenshuis werden bewaard om tijdens de wintermaanden geconsumeerd te worden. Een vergelijkbaar verhaal ten aanzien van de behoefte af en toe een stukje vlees op tafel te kunnen zetten. Als de behuizing het toeliet stond er menigmaal een varkentje op het hok. Het vetgemeste dier hing veelal in het najaar op de ladder, werd verwerkt tot uiteenlopende vlees- en worstsoorten en verdeeld onder familieleden.

Paardenmest

Voordat er geoogst kon worden moest er nogal wat tijd in de tuinwerkzaamheden worden gestoken. Behalve poten, wieden en oogsten, was ook de bemesting van de grond belangrijk. Om de bodem vruchtbaar te maken, gebruikte opa Meertens bij voorkeur paardenmest, die hij kocht bij een boer in Westenesch.

Terwijl we tegenwoordig koel- en vriesvak met gemak volstouwen met voedsel en drank, kwam er destijds nogal wat kijken bij het duurzaam verwerken en bewaren van de oogstproducten. Dit gebeurde vaak middels het zogeheten wecken. Stok-, snij-, tuin-, sperzie- en andere boonvarianten, appelmoes, stoofperen werden ‘verpakt’ in glazen weckflessen van uiteenlopend formaat. Tussen de fles en de deksel lag een rode rubberen ring en bovenop een klem. Aansluitend werden de flessen in een wasketel geplaatst en op een gasbrander verhit. Na een bepaalde kooktijd zat de deksel muurvast op de fles, doordat de inhoud vacuüm was gekookt en deze aldus langere tijd kon worden bewaard. Dat lukte ook met rode bietjes, hoewel opa de biet liever ongekookt in een bak met zand legde. Een andere optie om voedsel houdbaar te maken was gebruik te maken van zout. Bijvoorbeeld fijngesneden zuurkool in een Keulse pot, waarbij de groente afgedekt werd met laagjes zout en bovenop een omgekeerd etensbord als afsluiting.”