Column Richard Zuiderveld | Op de vlucht

We waren veertien toen we elkaar ontmoetten, Ibrahim en ik. Pubers uit twee verschillende werelden. Hij kwam uit Afrika en ik uit Nederland. Hij een zwarte moslim, ik een witte atheïst. Toch voetbalden we beide in het rood-wit en werden we beste vrienden.

Zijn levensverhaal deed mijn wereldbeeld veranderen. Ik groeide op in een land waar veiligheid, vrede, welvaart en goed onderwijs gewoon zijn.

Voor Ibrahim was dat anders. In Ivoorkust was zijn leven goed; tot de oorlog kwam. Soldaten brachten chaos en angst. Geweld verspreidde zich als een vlammenzee en dwong hem om te vluchten. Schuilend op een containerschip reisde hij naar Europa, op zoek naar veiligheid.

Mijn tienerjaren vulden zich met gamen, voetbal en school. In diezelfde tijd kwam Ibrahim aan in een vreemd en koud land. Hij was jong, bang en alleen. Gelukkig kreeg hij onderdak in een asielzoekerscentrum. De procedure was zwaar en de bureaucratie vermoeiend, maar bleef hij positief. Hij zette zich in om te leren en vrienden te maken, altijd met een glimlach, altijd vol energie.

We hebben heel wat avonturen beleefd. Samen met andere vluchtelingen, mijn vrouw en voetbalvrienden vierden we sinterklaas, gingen we stappen en kookten we boerenkool en akpessi. Hij was kind aan huis bij mijn ouders, die hij tot op de dag van vandaag ‘pappa en mamma’ noemt.

Maar alles veranderde door minister Verdonk. Er ging een ijskoude wind door Nederland waaien en Ibrahim voelde zich niet langer veilig. Zou de politie zomaar voor de deur staan? Stuurden ze hem dan terug naar een onveilig land? Doodsangst deed hem vluchten naar België en vanaf dat moment splitsten onze levenspaden. Het contact verminderde.

Totdat ik hem vorige week weer sprak. Hij is terug in Ivoorkust en herenigd met familie. Hij heeft zijn leven op orde en nodigt ons uit om langs te komen. Corona maakt reizen onmogelijk, maar we beloven contact te houden.

Zijn levensverhaal en dankbaarheid voor Nederland blijven me ontroeren. Het valt me dan ook zwaar om te lezen over de vluchtelingen in kamp Moria. Kinderen, zoals Ibrahim was, maken onbeschrijfelijke ellende mee. Zij verdienen een beter leven, maar zijn nergens welkom. Men ziet ze als cijfers en hun dood is een Europese strategie geworden. Moria is een doelbewuste puinhoop om vluchtelingen af te schrikken.

Daarom ben ik blij dat ik geen Tweede Kamerlid ben. Ik zou teleurgesteld zijn en me schamen. Wat zullen toekomstige generaties over ons zeggen? Hopelijk is het geweten van onze politici net zo zwak als hun mededogen, want dan kunnen zij in ieder geval wel lekker slapen.