Column burgemeester Eric van Oosterhout: Van oude mensen...

Burgemeesters ontmoeten mensen van 0 tot 100 jaar. En veel oude mensen, soms zelfs van over de 100. Mijn opa heette al bejaard, toen hij 70 was. Dat was heel wat in de jaren zestig. Na het overlijden van oma logeerde hij vaak bij ons in Den Haag.

Lieve man. Ik ben naar hem vernoemd. Hij had meer kleinkinderen, ‘maar er is maar 1 Hendrik Frederik’. In de kleine flat sliep hij op de twijfelaar naast mij. Dat vond ik altijd wel fascinerend. Hij sliep op twee kussens, ‘want dan had je meer lucht’. Onder zijn kussens lag een blauw rond doosje met dropjes, voor als hij het ’s nachts wel eens ‘op de borst had’. Ik werd daar wel eens wakker van en dan kreeg ik altijd stiekem ook een dropje. ’s Ochtends mocht ik hem wakker maken. Dan sloeg hij de ogen open, om binnen tien seconden met 1 zwaai de benen uit bed te gooien. Dat is mij nog nooit gelukt.

Nu ontmoet ik veel oudere mensen, die nog een stuk fitter zijn. De zestig of meer jaar getrouwde paren die ik mag feliciteren zijn in de regel nog redelijk fit. Vaak staan ze me al in de voordeur op te wachten. Vrouwen in een mooie jurk, het haar ‘netties’, vanochtend vroeg nog bij de kapper langs geweest. Veel mannen dragen minimaal een colbert, meestal met een vers gestrikte das. Zo staan ze al zestig jaar of langer naast elkaar. Ze vinden het heel gewoon. Vaak moet ik ze erop wijzen dat het ook wel eens anders gaat. Dat weten ze ook eigenlijk ook wel.

In een en dezelfde week kom ik een 60 jaar getrouwd echtpaar tegen en een jarige van 101. Het echtpaar trekt er nog geregeld op uit met de caravan. Prachtig. De uitvinder van de ‘caravan-mover’ waarmee de caravan elektrisch op de plek komt, verdient een Nobelprijs. Ze gaan niet meer zover ,maar in Limburg komen ze nog wel. Wat weemoedig denk ik aan mijn ouders, die de caravan met aardappels ook tot op hoge leeftijd door Europa stuurden.

De jarige Van Dijk weet ook nog niet van opgeven. Toen hij 100 werd, zei ik hoopvol ‘tot vorig jaar’. Dat vond hij mooi, ‘we sille sjen’. Zijn verstandelijk beperkte dochter, die ook niet zo jong meer is, is er ook blij mee. Zij herinnert zich nog de ontmoeting met mijn ook Friese vrouw: ‘ik ha jo frou ek noch sprutsen’.

Aan het eind van de week ben ik te gast op een oergezellige nieuwjaarsbijeenkomst van de bewoners van Parc Sandur. Er zijn er al gauw meer dan honderd, waarmee het leuk praten is. Aan het eind van de avond ontmoet ik een leuke vrouw, rond de 70. Vroeger heette dat oud, opa. Ze heeft de draad weer opgepakt, nadat haar man vorig jaar maart op de N34 verongelukte, ‘nu zit ik op zijn stoeltje bij FC Emmen’.

Het is prachtig als je gezond honderd wordt of zestig jaar getrouwd bent. Maar het is niet vanzelfsprekend.