Meneer Meertens vertelt over de padvinderij

Emmen - Niet alleen zijn archief blijkt indrukwekkend. Van hetzelfde kaliber zijn de dikke mappen vol historische foto’s, die een breed beeld geven van pakweg de afgelopen 80 jaar.

Die kennis van de plaatselijke historie bestaat niet alleen op papier. Ook het geheugen van de 73-jarige Emmenaar is een rijke bron vol verhalen en anekdotes. Kortom, Geert Meertens ten voeten uit!

‘Op vijftienjarige leeftijd ging ik bij de padvinderij. Ik zat bij de Hunengroep. De huidige aanduiding ‘scouting’ was trouwens nog niet in zwang. Destijds kende de padvinderij gescheiden jongens- en meisjesafdelingen. De meiden hadden een eigen onderkomen aan de Minister Kanstraat. Ons clubhuis stond in de Emmerdennen, op de locatie waar later het voormalige parkeerterrein van de Muzeval was gevestigd. Een gebouw, opgetrokken uit betonsteen met twee grotere ruimtes en een toiletvoorziening. Het droeg de naam ‘Het Pimlaar’. Het eerste deel was afgeleid van één van de initiatiefnemers Pim van Heerde, ooit hoofd van de Uloschool.

Elke zaterdag gingen we naar ons clubhuis. Pakweg veertig jongens meldden zich daar, waaronder ook buurtgenoot Hans Thedinga. In mijn tijd was Ubel Nonkes de zogeheten hopman. Nadat onze driekleur was gehesen, las Nonkes de Wet voor, regels waar een echte padvinder zich aan moest houden. Ondertussen waren we opgedeeld in zogeheten patrouilles, elk bestaande uit ongeveer tien jongens, met uit eigen gelederen een patrouilleleider en een assistent.

Voordat we in actie kwamen was er eerst nog de kledinginspectie door onze hopman. Die kleding bestond overigens uit een korte manchester broek, dikke kniekousen met een groene flap, een kaki overhemd, een groene baret en een sjaal in de kleuren grijs en paars, respectievelijk symbool voor zand en heide. Deze outfit was compleet te koop bij kledingzaak Strootman. Als hopman Nonkes constateerde dat één van de knopen van je broek openstond of ontbrak, hanteerde hij steevast de term 'pepermuntje'. Als je bij het snoepen van een pepermunt inademt, voel je een koude lucht. Diezelfde tocht zou een openstaande gulp tot gevolg hebben.

Bloedspoor

Als alles piekfijn in orde was, kon het echte werk beginnen: kaart lezen en spannende routes door het bos volgen, sjorren, sokken stoppen, eten bereiden en andere opdrachten en uitdagingen. Af en toe waren er ook nachtoefeningen, waarbij het de bedoeling was bijvoorbeeld een in het bos ronddolende moordenaar in de kraag te pakken. Ik weet nog dat slagerszoon Theo Meiboom ooit een bloedspoor uitzette in de sneeuw. Eens hadden we ook bij strenge vorst een nachtoefening in de buurt van Ees. Met twee groepen in het pikkedonker gescheiden op pad, inclusief onderling contact maken met lampen en het versturen van een boodschap in morsetekens. Kortom, ontzettend spannend allemaal. Als verkenner maakte ik nog fantastische pinkster-, zomer- en winterkampen mee in onder andere Anloo, Denekamp en Duitsland’.